In deze blog gaat het specifiek om het leren van vreemde talen van polyglots. De lezers kunnen hier rechtstreeks meevolgen hoe ik mijn eigen vreemde talen leer en krijgen bovendien uitleg over allerlei methodes die voor polyglots heel gewoon zijn.
Posts tonen met het label woordenschat van het Deens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label woordenschat van het Deens. Alle posts tonen
maandag 14 november 2016
Skype: Astronomie & ruimtevaart artikelen lezen in het Deens, het Noors en het Duits
Met een Skypie van mij lees ik regelmatig astronmie en ruimtevaart artikelen in het Deens en in het Noors. We lezen zulke artikelen ook in het Duits zodat mijn Skypie ook zijn vreemde taal kan oefenen. Mocht iemand geinteresseert zijn in dit natuurwetenschappelijke gebied, geef ik graag de links naar de websites die wij gebruiken:
1. Astronomie & ruimtevaart in het Duits:
De krant "Die Zeit", je moet dan "Wissen" kiezen.
Link: http://www.zeit.de/index
2. Astronomie & ruimtevaart in het Deens:
Link: http://videnskab.dk/
Je moet dan "naturvidenskab" kiezen.
3. Astronomie & ruimtevaart in het Noors:
Link: https://www.nrk.no/nyheter/
Link: http://www.klartale.no/
Fasulye
donderdag 26 juli 2012
Deens: Belangrijke bijwoorden / adverbien
Dit zijn uitermate belangrijke bijwoorden / adverbien (på dansk: centraladverbier):
1. aldrig = nooit (NL) = nie (GER)
2. alligevel = toch (NL) = doch (GER)
3. også = ook (NL) = auch (GER)
4. altid = altijd (NL) = immer (GER)
5. gerne = graag (NL) = gerne (GER)
6. ikke = niet (NL) = nicht (GER)
7. heller ikke = ook niet (NL) = auch nicht (GER)
8. kun = slechts, maar (NL) = nur (GER)
9. lige = even (NL) = gleich (GER)
10. måske = misschien (NL) = vielleicht (GER)
11. ofte = vaak (NL) = oft (GER)
12. snart = binnenkort (NL) = bald (GER)
13. tit = vaak (NL) = oft (GER)
14. sjældent = zelden (NL) = selten (GER)
15. sommetider = soms (NL) = manchmal (GER)
Fasulye
1. aldrig = nooit (NL) = nie (GER)
2. alligevel = toch (NL) = doch (GER)
3. også = ook (NL) = auch (GER)
4. altid = altijd (NL) = immer (GER)
5. gerne = graag (NL) = gerne (GER)
6. ikke = niet (NL) = nicht (GER)
7. heller ikke = ook niet (NL) = auch nicht (GER)
8. kun = slechts, maar (NL) = nur (GER)
9. lige = even (NL) = gleich (GER)
10. måske = misschien (NL) = vielleicht (GER)
11. ofte = vaak (NL) = oft (GER)
12. snart = binnenkort (NL) = bald (GER)
13. tit = vaak (NL) = oft (GER)
14. sjældent = zelden (NL) = selten (GER)
15. sommetider = soms (NL) = manchmal (GER)
Fasulye
vrijdag 24 februari 2012
Deens: Belangrijke voorzetsels
Nu wil ik een paar heel belangrijke voorzetsels van het Deens presenteren.
het voorzetsel (NL) = the preposition (ENG) = die Präposition (GER)
1. foran = voor
Stolen står foran bordet. = De stoek staat voor de tafel.
2. bag = achter
Skabet står bag sengen. = De kast staat achter het bed.
3. mellem = tussen
Mellem fjernsynet og computeren ligger der nogle bøger. = Tussen de televisie en de computer liggen er boeken.
4. over = boven
Over landskabet skinner solen. = Boven het landschap schijnt de zon.
5. under = beneden
Under bordet ligger hunden. = Beneden de tafel ligt de hond.
6. ved siden af = naast
Ved siden af min far star mine søskende. = Naast mijn vader staan mijn broer en zus.
7. over for = tegenover
Over for supermarkedet står mange huse. = Tegenover van de supermarkt staan veel huizen.
8. ved = bij, aan
Ved krydset må du langsomt cykle. = Bij de kruising moet je langzaam fietsen.
Fasulye
het voorzetsel (NL) = the preposition (ENG) = die Präposition (GER)
1. foran = voor
Stolen står foran bordet. = De stoek staat voor de tafel.
2. bag = achter
Skabet står bag sengen. = De kast staat achter het bed.
3. mellem = tussen
Mellem fjernsynet og computeren ligger der nogle bøger. = Tussen de televisie en de computer liggen er boeken.
4. over = boven
Over landskabet skinner solen. = Boven het landschap schijnt de zon.
5. under = beneden
Under bordet ligger hunden. = Beneden de tafel ligt de hond.
6. ved siden af = naast
Ved siden af min far star mine søskende. = Naast mijn vader staan mijn broer en zus.
7. over for = tegenover
Over for supermarkedet står mange huse. = Tegenover van de supermarkt staan veel huizen.
8. ved = bij, aan
Ved krydset må du langsomt cykle. = Bij de kruising moet je langzaam fietsen.
Fasulye
vrijdag 25 november 2011
Deens: 49 uregelmaessige verber
Øvelse uregelmæssige verber:
1. snyde, snød, snydt = oplichten, frauderen, bedriegen
2. krybe, krøb, krøbet = kruipen, krimpen
3. snige, sneg, sneget = sluipen = schleichen (tysk)
4. glide, gled, gledet = glijden
5. fare, for, faret = vliegen, razen
6. jage, jog, jaget = jagen
7. knibe, kneb, knebet = knijpen, snijden
8. skide, skid, skidt = schijten, poepen
9. æde, åd, ædt = eten, vreten
10. le, lo, let/leet = lachen
11. ryge, røg, røget = roken
12. bryde, brød, brudt = breken, verbreken
13. slide, sled, slidt = slijten, verslijten, blokken (voor een examen)
14. gnide, gned, gnedet = wrijven, insmeren
15. beder, bad, bedt = vragen, verzoeken, bidden (een gebed)
16. tvinge, tvang, tvunget = dwingen
17. bide, bed, bidt = bijten
18. svinge, svang, svunget = slingeren, schommelen, zwaaien
19. svide, sved, svedet = schroeien, verschroeien, laten aanbranden = schrumpeln, verschrumpeln (tysk)
20. stryge, strøg, strøget = strijken, overslaan
21. stinke, stank, stinket = stinken
22. lade, lod, ladet/ladt = laten
23. byde, bød, budt = bieden, aanbieden, bevelen, gebieden
24. drive, drev, drevet = drijven, kweken, luieren
25. fise, fes, feset = scheten laten, vliegen = furzen, pupsen (tysk)
26. gide, gad, gidet = zin hebben in, willen
27. gælde, gjaldt, gjaldt = gelden, van toepassing zijn
28. forsvinde, forsvandt, forsvundet = verdwijnen
29. svinde, svandt, svundet = slinken = schwinden (tysk)
30. træffe, traf, truffet = ontmoeten, treffen
31. smide, smed, smidt = smijten, gooien
32. hænge, hang, hængt = hangen
33. stikke, stak, stukket = steken, prikken
34. græde, græd, grædt = huilen
35. hive, hev, hevet = trekken, gooien
36. rive, rev, revet = harken, scheuren, raspen
37. skride, skred, skredet = schrijden, vooruitgaan, uitglijden
38. klinge, klang, klinget = dichten = abdichten (tysk)
39. slibe, sleb, slebet = slijpen (een mes, diamanten), schuren (met zandpapier)
40. løsrive, løsrev, løsrevet = losrukken
41. afbryde, afbrød, afbrudt = afbreken
42. bestikke, bestak, bestukket = omkopen = bestechen (tysk)
43. indsnige, indsneg, indsneget = insluipen
44. tilbede, tilbad, tilbedt = aanbidden
45. anslå, anslog, anslået = schatten
46. påstår, påstod, påstået = beweren = behaupten (tysk)
47. indfinde, indfand, indfundet = je vertonen
48. overgår, overgik, overgået = overtreffen, iets overkomen
49. overholder, overholdt, overholdt = zich houden aan (de wet, de regels)
1. snyde, snød, snydt = oplichten, frauderen, bedriegen
2. krybe, krøb, krøbet = kruipen, krimpen
3. snige, sneg, sneget = sluipen = schleichen (tysk)
4. glide, gled, gledet = glijden
5. fare, for, faret = vliegen, razen
6. jage, jog, jaget = jagen
7. knibe, kneb, knebet = knijpen, snijden
8. skide, skid, skidt = schijten, poepen
9. æde, åd, ædt = eten, vreten
10. le, lo, let/leet = lachen
11. ryge, røg, røget = roken
12. bryde, brød, brudt = breken, verbreken
13. slide, sled, slidt = slijten, verslijten, blokken (voor een examen)
14. gnide, gned, gnedet = wrijven, insmeren
15. beder, bad, bedt = vragen, verzoeken, bidden (een gebed)
16. tvinge, tvang, tvunget = dwingen
17. bide, bed, bidt = bijten
18. svinge, svang, svunget = slingeren, schommelen, zwaaien
19. svide, sved, svedet = schroeien, verschroeien, laten aanbranden = schrumpeln, verschrumpeln (tysk)
20. stryge, strøg, strøget = strijken, overslaan
21. stinke, stank, stinket = stinken
22. lade, lod, ladet/ladt = laten
23. byde, bød, budt = bieden, aanbieden, bevelen, gebieden
24. drive, drev, drevet = drijven, kweken, luieren
25. fise, fes, feset = scheten laten, vliegen = furzen, pupsen (tysk)
26. gide, gad, gidet = zin hebben in, willen
27. gælde, gjaldt, gjaldt = gelden, van toepassing zijn
28. forsvinde, forsvandt, forsvundet = verdwijnen
29. svinde, svandt, svundet = slinken = schwinden (tysk)
30. træffe, traf, truffet = ontmoeten, treffen
31. smide, smed, smidt = smijten, gooien
32. hænge, hang, hængt = hangen
33. stikke, stak, stukket = steken, prikken
34. græde, græd, grædt = huilen
35. hive, hev, hevet = trekken, gooien
36. rive, rev, revet = harken, scheuren, raspen
37. skride, skred, skredet = schrijden, vooruitgaan, uitglijden
38. klinge, klang, klinget = dichten = abdichten (tysk)
39. slibe, sleb, slebet = slijpen (een mes, diamanten), schuren (met zandpapier)
40. løsrive, løsrev, løsrevet = losrukken
41. afbryde, afbrød, afbrudt = afbreken
42. bestikke, bestak, bestukket = omkopen = bestechen (tysk)
43. indsnige, indsneg, indsneget = insluipen
44. tilbede, tilbad, tilbedt = aanbidden
45. anslå, anslog, anslået = schatten
46. påstår, påstod, påstået = beweren = behaupten (tysk)
47. indfinde, indfand, indfundet = je vertonen
48. overgår, overgik, overgået = overtreffen, iets overkomen
49. overholder, overholdt, overholdt = zich houden aan (de wet, de regels)
vrijdag 30 september 2011
Deens: Het schaakspel - De woordenschat
Alhoewel ik met mijn schaakhobby momenteel niet actief ben, wil ik er toch een woordenschatoefening van maken. Ik ken helemaal geen schaakbegrippen in het Deens, dus ik moet alle woorden in mijn woordenboek gaan opzoeken. Daarom houd ik het maar inhoudelijk eenvoudig.
Ik zal alles drietalig opsommen, want mijn schaaktaal is het Duits geweest en ik heb ook schaakboeken in het Nederlands.
Die Schachfiguren = De schaakstukken = Skakbrikkerne (Duits - Nederlands - Deens)
ein König = een koning = en konge
eine Dame = een dame = en dame, en dronning
ein Turm = een toren = en tårn
ein Läufer = een loper = en løber
ein Springer = een paard = en springer, en hest
ein Bauer = een pion = en bonde
Misschien kan ik in het internet nog wat woordenlijsten vinden, maar ik ben er niet zeker van.
Hier is een Deense website, die de schaakregels voor beginners (= begyndere) uitlegt:
http://www.herningskakklub.dk/skakregler.htm
Zoiets is voor mij nuttig om een idee van de Deense schaaktaal te krijgen. Natuurlijk ken ik de regels wel, maar niet in het Deens!!!
Fasulye
Ik zal alles drietalig opsommen, want mijn schaaktaal is het Duits geweest en ik heb ook schaakboeken in het Nederlands.
Die Schachfiguren = De schaakstukken = Skakbrikkerne (Duits - Nederlands - Deens)
ein König = een koning = en konge
eine Dame = een dame = en dame, en dronning
ein Turm = een toren = en tårn
ein Läufer = een loper = en løber
ein Springer = een paard = en springer, en hest
ein Bauer = een pion = en bonde
Misschien kan ik in het internet nog wat woordenlijsten vinden, maar ik ben er niet zeker van.
Hier is een Deense website, die de schaakregels voor beginners (= begyndere) uitlegt:
http://www.herningskakklub.dk/skakregler.htm
Zoiets is voor mij nuttig om een idee van de Deense schaaktaal te krijgen. Natuurlijk ken ik de regels wel, maar niet in het Deens!!!
Fasulye
vrijdag 12 augustus 2011
Deens: Namen van dieren in de dierentuin (3)
Er komen nog meer diernamen, die ik allemaal van buiten wil leren.
Dansk - tysk - nederlandsk:
41. en ugle = eine Eule = een uil
42. en slørugle = eine Schleiereule = een sluieruil
43. en fugl = ein Vogel = een vogel
44. et krybdyr = ein Reptil, ein Kriechtier = een reptiel
45. en sumpskildpadde = eine Sumpfschildkröte = een moerasschildpad
46. en øgle = eine Echse, ein Saurier = een hagedis
47. en kæmpegekko = ein Riesengekko = een reuzengekko
48. en snog = eine Natter = een ringslang
49. en kongesnog = eine Königsnatter = een koningsringslang
50. en frø = ein Frosch = een kikker
51. en tudse = eine Kröte = een pad
52. en trætudse = eine Baumkröte = een boompad
53. en stribet giftfrø = ein gestreifter Giftfrosch = een gestreepte gifkikker
54. en oksefrø = ein Ochsenfrosch = een ossekikker
55. en regnbuefisk = ein Regenbogenfisch = een regenboogvis
56. en stribefisk = ein Streifenfisch = een strepenvis
57. et bløddyr = ein Weichtier = een weekdier
58. en snegl = eine Schnecke = een slak
59. en kæmpegræshoppe = eine Riesenheuschrecke = een reuzensprinkhaan
60. een bille = ein Käfer = een kever
61. en sommerfugl = ein Schmetterling = een vlinder
Fasulye
Dansk - tysk - nederlandsk:
41. en ugle = eine Eule = een uil
42. en slørugle = eine Schleiereule = een sluieruil
43. en fugl = ein Vogel = een vogel
44. et krybdyr = ein Reptil, ein Kriechtier = een reptiel
45. en sumpskildpadde = eine Sumpfschildkröte = een moerasschildpad
46. en øgle = eine Echse, ein Saurier = een hagedis
47. en kæmpegekko = ein Riesengekko = een reuzengekko
48. en snog = eine Natter = een ringslang
49. en kongesnog = eine Königsnatter = een koningsringslang
50. en frø = ein Frosch = een kikker
51. en tudse = eine Kröte = een pad
52. en trætudse = eine Baumkröte = een boompad
53. en stribet giftfrø = ein gestreifter Giftfrosch = een gestreepte gifkikker
54. en oksefrø = ein Ochsenfrosch = een ossekikker
55. en regnbuefisk = ein Regenbogenfisch = een regenboogvis
56. en stribefisk = ein Streifenfisch = een strepenvis
57. et bløddyr = ein Weichtier = een weekdier
58. en snegl = eine Schnecke = een slak
59. en kæmpegræshoppe = eine Riesenheuschrecke = een reuzensprinkhaan
60. een bille = ein Käfer = een kever
61. en sommerfugl = ein Schmetterling = een vlinder
Fasulye
Deens: Namen van dieren in de dierentuin (2)
Ik heb dus Deens / Engelse diernamen in het Duits vertaald en daarvan de Nederlandse vertalingen opgezocht! Dat is de beste manier, want anders maak ik teveel Deense fouten en heb te vaak correcties nodig.
Dansk - tysk - nederlandsk:
12. et pattedyr = ein Säugetier = een zoogdier
13. en flagermus = eine Fledermaus = een vleermuis
14. et pungdyr = ein Beuteltier = een buideldier
15. en taskmansk pungdjævel = ein tasmanischer Beutelteufel = een Tasmaanse duivel
16. en flyvende hund = ein Flughund = een vliegende hond
17. en tamkanin = ein Hauskaninchen = een huiskonijn
18. en marsvin = ein Meerschweinchen = een Guinees biggetje, een cavia
19. en husmus = eine Hausmaus = een huismuis
20. en grå ulv = ein Grauwolf = een grijze wolf
21. en brun bjørn = ein Braunbär = een bruine beer
22. en løve = ein Löwe = een leeuw
23. en søløve = ein Seelöwe = een zeeleeuw
24. en sæl = ein Seehund, eine Robbe = een zeehond
25. en brædsnudet næsehorn = ein Breitmaulnashorn = een breedmuilneushorn
26. en tamsvin = ein Hausschwein = een huisswijn, een huisvarken
27. en dværghjort = ein Zwerghirsch = een dwerghert
28. en blå gnu = ein blaues Gnu = een blauw gnoe
29. en rensdyr = ein Rentier = een rendier
30. en tamkvæg = ein Hausrind = een huisrund
31. et rovdyr = ein Raubtier = een roofdier
32. en brun rotte = eine Braunratte = een bruine rat
33. en struds = ein Strauß = een struisvogel
34. en pingvin = ein Pinguin = een pinguin
35. en gås = eine Gans = een gans
36. en dværgand = eine Zwergente = een dwergeend
37. en tamhøne = ein Zwerghuhn = een dwerghoen
38. en perlehøne = ein Perlhuhn = een parelhoen
39. en rovfugl = ein Greifvogel = een roofvogel
40. en papegøje = ein Papagei = een papegaai
Fasulye
Dansk - tysk - nederlandsk:
12. et pattedyr = ein Säugetier = een zoogdier
13. en flagermus = eine Fledermaus = een vleermuis
14. et pungdyr = ein Beuteltier = een buideldier
15. en taskmansk pungdjævel = ein tasmanischer Beutelteufel = een Tasmaanse duivel
16. en flyvende hund = ein Flughund = een vliegende hond
17. en tamkanin = ein Hauskaninchen = een huiskonijn
18. en marsvin = ein Meerschweinchen = een Guinees biggetje, een cavia
19. en husmus = eine Hausmaus = een huismuis
20. en grå ulv = ein Grauwolf = een grijze wolf
21. en brun bjørn = ein Braunbär = een bruine beer
22. en løve = ein Löwe = een leeuw
23. en søløve = ein Seelöwe = een zeeleeuw
24. en sæl = ein Seehund, eine Robbe = een zeehond
25. en brædsnudet næsehorn = ein Breitmaulnashorn = een breedmuilneushorn
26. en tamsvin = ein Hausschwein = een huisswijn, een huisvarken
27. en dværghjort = ein Zwerghirsch = een dwerghert
28. en blå gnu = ein blaues Gnu = een blauw gnoe
29. en rensdyr = ein Rentier = een rendier
30. en tamkvæg = ein Hausrind = een huisrund
31. et rovdyr = ein Raubtier = een roofdier
32. en brun rotte = eine Braunratte = een bruine rat
33. en struds = ein Strauß = een struisvogel
34. en pingvin = ein Pinguin = een pinguin
35. en gås = eine Gans = een gans
36. en dværgand = eine Zwergente = een dwergeend
37. en tamhøne = ein Zwerghuhn = een dwerghoen
38. en perlehøne = ein Perlhuhn = een parelhoen
39. en rovfugl = ein Greifvogel = een roofvogel
40. en papegøje = ein Papagei = een papegaai
Fasulye
zondag 7 augustus 2011
Deens: Namen van dieren in de dierentuin (1)
Jeg har nu et årskort at besøge zoologisk haven i min by. Nu wil jeg lære tyske navne af dyrerne ogsâ på nederlandsk og dansk:
For eksempel: tysk - nederlandsk - dansk
1. ein Ameisenbär = een miereneter = en myresluger
2. eine Riesenschildkröte = een reuzenschildpad = en kaempeskildpadde
3. ein Trampeltier / ein Dromedar = een kameel / een dromedaris = en kamel / en dromedar (een kameel heeft twee bulten en een dromedaris er een)
4. ein Moschusochse = een muskusos = en moskusokse
5. ein Weißstorch = een witte ooievaar = en hvid stork
6. ein Zwergpflusspferd = een dwergnijlpaard = en dværgflodhest
7. ein Schneeleopard = een sneeuwluipaard = en sneleopard
8. ein Baumkänguru = een boomkangoeroe = en trækænguru
9. ein Hornrabe = een hoornraaf = en hornravn
10. Enten und Gänse = eenden en ganzen = (en and og en gås) aender og gaeser
11. ein Wasserschwein = een waterzwijn = en flodzvin
- wordt vervolgd -
Fasulye
For eksempel: tysk - nederlandsk - dansk
1. ein Ameisenbär = een miereneter = en myresluger
2. eine Riesenschildkröte = een reuzenschildpad = en kaempeskildpadde
3. ein Trampeltier / ein Dromedar = een kameel / een dromedaris = en kamel / en dromedar (een kameel heeft twee bulten en een dromedaris er een)
4. ein Moschusochse = een muskusos = en moskusokse
5. ein Weißstorch = een witte ooievaar = en hvid stork
6. ein Zwergpflusspferd = een dwergnijlpaard = en dværgflodhest
7. ein Schneeleopard = een sneeuwluipaard = en sneleopard
8. ein Baumkänguru = een boomkangoeroe = en trækænguru
9. ein Hornrabe = een hoornraaf = en hornravn
10. Enten und Gänse = eenden en ganzen = (en and og en gås) aender og gaeser
11. ein Wasserschwein = een waterzwijn = en flodzvin
- wordt vervolgd -
Fasulye
woensdag 6 juli 2011
Deens: Levensmiddelen / producten in hun verpakking
Ik heb nu twee verschillende units Deens bestudeerd, waar het om levensmiddelen in hun verpakking gaat. Oorspronkelijk wilde ik de verpakkingen apart leren, maar kon zoiets volstrekt niet onthouden. Mijn aanbeveling is dus om elke verpakking samen met een typisch levensmiddel of product van buiten te leren.
Dit is mijn lijst van levensmiddelen/producten in hun verpakking:
- en æske cornflakes = een doos / eine Schachtel / cornflakes
- en pose mysli = een zakje / eine Tüte / muesli
- en flaske rødvin = een fles / eine Flasche / rode wijn
- en bakke jordbær = een bakje / eine Schale / aardbeien
- en dåse ravioli = een blik / eine Dose / ravioli
- en kasse sodavand = een krat / ein Kasten / limonade
- et bæger yoghurt = een beker / ein Becher / joghurt
- en pakke smør = een pak / eine Packung / boter
- et stykke sæbe = een stuk / ein Stück / zeep
Fasulye
Dit is mijn lijst van levensmiddelen/producten in hun verpakking:
- en æske cornflakes = een doos / eine Schachtel / cornflakes
- en pose mysli = een zakje / eine Tüte / muesli
- en flaske rødvin = een fles / eine Flasche / rode wijn
- en bakke jordbær = een bakje / eine Schale / aardbeien
- en dåse ravioli = een blik / eine Dose / ravioli
- en kasse sodavand = een krat / ein Kasten / limonade
- et bæger yoghurt = een beker / ein Becher / joghurt
- en pakke smør = een pak / eine Packung / boter
- et stykke sæbe = een stuk / ein Stück / zeep
Fasulye
zaterdag 26 februari 2011
Deens: Het woordje "altså" en het gebruik daarvan
Het woordje "altså" is een typisch woordje wat ik opeens in lesteksten ben tegengekomen zonder het werkelijk te begrijpen. In zo'n geval helpt het om wat voorbeeldzinnen te verzamelen en die dan in een andere taal - L1 of L2 - te vertalen. L1 is de ouderlijke taal en L2 is een andere vreemde taal die men goed beheerst. Voor mij is het Nederlands een L2 - taal.
Voorbeeldzinnen met het woordje "altså":
1. Du far en god løn, altså må du være tilfreds.
= Je hebt een goed salaris, dus moet je tevreden zijn.
2. Der er lys endnu, altså der må være nogen hjemme.
= Er brandt nog licht, dus is er iemand thuis.
3. Det synes jeg altså ikke. = Dat vind ik dus niet.
4. Jeg kan altså ikke lide amerikansk film. = Ik hou dus niet van Amerikaanse films.
5. Nu må du altså holde op. = Nu moet je dus stoppen.
> Zodoende heeft "altså" de betekenis van "dus".
Fasulye
Voorbeeldzinnen met het woordje "altså":
1. Du far en god løn, altså må du være tilfreds.
= Je hebt een goed salaris, dus moet je tevreden zijn.
2. Der er lys endnu, altså der må være nogen hjemme.
= Er brandt nog licht, dus is er iemand thuis.
3. Det synes jeg altså ikke. = Dat vind ik dus niet.
4. Jeg kan altså ikke lide amerikansk film. = Ik hou dus niet van Amerikaanse films.
5. Nu må du altså holde op. = Nu moet je dus stoppen.
> Zodoende heeft "altså" de betekenis van "dus".
Fasulye
maandag 24 januari 2011
Deens: Het woordje "nok" en het gebruik ervan
Kleine woordjes in een vreemde taal zijn soms qua betekenis moeilijk te begrijpen en te onthouden.
Een goed voorbeeld is het Deense woord "nok".
Mijn Langenscheidt woordenboek geeft als Duitse vertaling: nok = genug, genügend, hinreichend, wohl, schon, noch.
Een Deens - Nederlands Prisma groot woordenboek heb ik nog niet kunnen kopen, want er zal misschien een nieuwe oplage komen.
De betekenis en het gebruik van dit woordje zal wat duidelijker worden door voorbeeldzinnen met Nederlandse vertaling.
1. Det er nok een god idé. - Dat is zeker een goed idee.
2. Du får det nok bedre i morgen. - Het zal zeker beter met jou morgen gaan.
3. Ja, det hjælper nok. - Ja, dat helpt zeker.
4. Du har nok bare sovet for lidt. - Jij hebt zeker maar te weinig geslapen.
5. Du taler vel nok godt dansk. - Je spreekt wel goed Deens.
6. Ja, det skal jeg nok. - Ja, dat zal ik doen.
Fasulye
Een goed voorbeeld is het Deense woord "nok".
Mijn Langenscheidt woordenboek geeft als Duitse vertaling: nok = genug, genügend, hinreichend, wohl, schon, noch.
Een Deens - Nederlands Prisma groot woordenboek heb ik nog niet kunnen kopen, want er zal misschien een nieuwe oplage komen.
De betekenis en het gebruik van dit woordje zal wat duidelijker worden door voorbeeldzinnen met Nederlandse vertaling.
1. Det er nok een god idé. - Dat is zeker een goed idee.
2. Du får det nok bedre i morgen. - Het zal zeker beter met jou morgen gaan.
3. Ja, det hjælper nok. - Ja, dat helpt zeker.
4. Du har nok bare sovet for lidt. - Jij hebt zeker maar te weinig geslapen.
5. Du taler vel nok godt dansk. - Je spreekt wel goed Deens.
6. Ja, det skal jeg nok. - Ja, dat zal ik doen.
Fasulye
donderdag 6 januari 2011
Deens: noget - ikke noget - nogen - ikke nogen
Kleine woordjes kunnen in een vreemde taal tot verwarring leiden. Hier wil ik dus vier Deens woorden presenteren en uitleggen hoe ze gebruikt woorden.
De betekenis in het Nederlands, Duits en Engels
noget = iets / etwas / something
ikke noget = niets / nichts / nothing
nogen = iemand / jemand / somebody
ikke nogen = niemand / niemand / nobody
Voorbeeldzinnen:
1. Jeg vil gerne købe ind noget. - Ik wil graag iets inkopen.
2. Men det gør ikke noget. - Maar dat geeft niets.
3. l går mødte jeg nogen på stranden. - Gisteren heb ik iemand op het strand ontmoet.
4. Nogen vil gerne se fjernsyn hvis vejret er dejligt. - Niemand wil graag TV kijken als het weer mooi is.
Grammaticaregel:
et - woorden > noget / ikke noget:
et værelse: noget værelse, ikke noget værelse
en - woorden > nogen / ikke nogen:
en by: nogen by, ikke nogen by
meervoud et / en - woorden: nogen rundstykker, ikke nogen rundstykker
Woordenschat:
et værelse = de kamer / das Zimmer / the room
en by = de stad / die Stadt / the town or city
et rundstykke = het broodje / das Brötchen / the bread roll
Fasulye
De betekenis in het Nederlands, Duits en Engels
noget = iets / etwas / something
ikke noget = niets / nichts / nothing
nogen = iemand / jemand / somebody
ikke nogen = niemand / niemand / nobody
Voorbeeldzinnen:
1. Jeg vil gerne købe ind noget. - Ik wil graag iets inkopen.
2. Men det gør ikke noget. - Maar dat geeft niets.
3. l går mødte jeg nogen på stranden. - Gisteren heb ik iemand op het strand ontmoet.
4. Nogen vil gerne se fjernsyn hvis vejret er dejligt. - Niemand wil graag TV kijken als het weer mooi is.
Grammaticaregel:
et - woorden > noget / ikke noget:
et værelse: noget værelse, ikke noget værelse
en - woorden > nogen / ikke nogen:
en by: nogen by, ikke nogen by
meervoud et / en - woorden: nogen rundstykker, ikke nogen rundstykker
Woordenschat:
et værelse = de kamer / das Zimmer / the room
en by = de stad / die Stadt / the town or city
et rundstykke = het broodje / das Brötchen / the bread roll
Fasulye
Abonneren op:
Posts (Atom)