Nu wil ik een paar heel belangrijke voorzetsels van het Deens presenteren.
het voorzetsel (NL) = the preposition (ENG) = die Präposition (GER)
1. foran = voor
Stolen står foran bordet. = De stoek staat voor de tafel.
2. bag = achter
Skabet står bag sengen. = De kast staat achter het bed.
3. mellem = tussen
Mellem fjernsynet og computeren ligger der nogle bøger. = Tussen de televisie en de computer liggen er boeken.
4. over = boven
Over landskabet skinner solen. = Boven het landschap schijnt de zon.
5. under = beneden
Under bordet ligger hunden. = Beneden de tafel ligt de hond.
6. ved siden af = naast
Ved siden af min far star mine søskende. = Naast mijn vader staan mijn broer en zus.
7. over for = tegenover
Over for supermarkedet står mange huse. = Tegenover van de supermarkt staan veel huizen.
8. ved = bij, aan
Ved krydset må du langsomt cykle. = Bij de kruising moet je langzaam fietsen.
Fasulye
Geen opmerkingen:
Een reactie posten