Hier gaat het om het bijvoegelijk naamwoord (adjektief) en het bijwoord (adverb) in het Deens. Het Deens heeft twee woordgeslachten, utrum en neutrum.
Utrum:
en lærer = een leraar
en uge = een week
en måned = een maand
Neutrum:
et barn = het kind
et værelse = de kamer
et stykke = het stuk
De regel voor bijvoegelijke naamwoorden is:
utrum: - zonder uitgang
neutrum: - met uitgang t
meervoud: - met uitgang e
Voorbeelden:
en god lærer = een goede leraar
et stort værelse = een grote kamer
røde huser = rode huizen
Bijvoegelijke naamwoorden (adjektieven) en bijwoorden (adverbien):
1. Filmen var god. - De Film was goed. (Prädikatsnomen)
2. Han taler naturligt. - Hij spreekt natuurlijk. (bijwoord)
3. Solen skinner dejligt. - De zon schijnt mooi. (bijwoord)
4. Posten kommer for sent. - De post komt te laat. (bijwoord)
5. Slottet er smukt. - Het kasteel is mooi. (Prädikatsnomen)
6. Det er rigtig hyggeligt. - Dit is werkelijk gezellig. (Prädikatsnomen)
Dit grammatica-onderwerp vind ik niet zo makkelijk, maar door veel gebruik van de vormen krijgt men daar zekerheid in.
Fasulye
Geen opmerkingen:
Een reactie posten