zondag 10 oktober 2010

Deens: bijvoegelijke naamwoorden en bijwoorden

Hier gaat het om het bijvoegelijk naamwoord (adjektief) en het bijwoord (adverb) in het Deens. Het Deens heeft twee woordgeslachten, utrum en neutrum.

Utrum:

en lærer = een leraar
en uge = een week
en måned = een maand

Neutrum:

et barn = het kind
et værelse = de kamer
et stykke = het stuk

De regel voor bijvoegelijke naamwoorden is:

utrum: - zonder uitgang
neutrum: - met uitgang t
meervoud: - met uitgang e

Voorbeelden:

en god lærer = een goede leraar
et stort værelse = een grote kamer
røde huser = rode huizen

Bijvoegelijke naamwoorden (adjektieven) en bijwoorden (adverbien):

1. Filmen var god. - De Film was goed. (Prädikatsnomen)
2. Han taler naturligt. - Hij spreekt natuurlijk. (bijwoord)
3. Solen skinner dejligt. - De zon schijnt mooi. (bijwoord)
4. Posten kommer for sent. - De post komt te laat. (bijwoord)
5. Slottet er smukt. - Het kasteel is mooi. (Prädikatsnomen)
6. Det er rigtig hyggeligt. - Dit is werkelijk gezellig. (Prädikatsnomen)

Dit grammatica-onderwerp vind ik niet zo makkelijk, maar door veel gebruik van de vormen krijgt men daar zekerheid in.

Fasulye

Geen opmerkingen:

Een reactie posten