Ik wil maar een paar zeer belangrijke zinnetjes presenteren uit mijn cursus Deens aan de volksuniversiteit:
(tot en met les 5 in het leerboek)
1. Hvad siger men på dansk? - Hoe zegt men het in het Deens?
2. Nu er det jeres tur. - Nu zijn jullie aan de buurt.
3. Hvor er det lange siden! - Wat lang is het geleden! (hvor = hoe)
4. Jeg går hen og bestiller. - Ik ga daarheen en bestel.
5. Hvad skal / skulle det være? - Wat kan ik voor u doen? (zegt de verkoper in een winkel)
6. Hvordan smager din kaffe? - Hoe smaakt jouw koffie?
7. Hvem skal have kaffen? - Wie krijgt de koffie?
8. Jeg plejer at spise og drikke... - Ik eet en drink gewoonlijk...
9. Hvad har du brug for? - Wat heb je nodig?
10. Ellers andet? / Var der ellers andet? - Anders nog iets? (vraagt de verkoper in een winkel)
11. Det var det hele. - Dat is alles. (zegt de klant in een winkel)
12. Det skal jeg nok. - Dat doe ik.
Fasulye
Geen opmerkingen:
Een reactie posten