zaterdag 16 juni 2012

Deense voorzetsels / preposities (1)

Ik wil graag 4 voorzetsels voorstellen, die een verschillende vorm hebben, afhankelijk of ze antwoord geven op de vraag "hvor?" of "hvor hen?".

1. Hvor? = Waar? = Where? = Wo?

a. Jeg er derhjemme. = Ik ben thuis.
b. Jeg er oppe i værelset. = Ik ben boven op de kamer.
c. Jeg er ude i haven. = Ik ben buiten in de tuin.
d. Jeg er inde i huset. = Ik ben binnen in het huis.

2. Hvor hen? = Waarheen? = Where to? = Wohin?

a. Vi går hjem. = Wij gaan naar huis.
b. Du må gå op til din søster. = Je moet naar boven naar je zuster gaan.
c. Han gå ud met sin hond om morgenen. = 's ochtends gaat hij met zijn hond naar buiten.
d. Kom ind i stuen. = Kom binnen in de woonkamer.

HERHALING:

A. Hvor? - derhjemme
Hvor hen? - hjem

B. Hvor? - oppe
Hvor hen? - op

C. Hvor? - ude
Hvor hen? - ud

D. Hvor? - inde
Hvor hen? - ind

Fasulye

Geen opmerkingen:

Een reactie posten